A A A A A
Bible Book List

Romeinen 9Het Boek (HTB)

1-2 Er is één ding dat mij veel verdriet doet. Het is een onophoudelijke pijn in mijn hart. Christus weet dat ik de waarheid spreek en de Heilige Geest bevestigt het in mijn geweten: Dat is de toestand van mijn eigen volk, de Israëlieten.

Echt, ik zou zelf van Christus afgesneden willen zijn, als ik daarmee mijn broeders van de ondergang zou kunnen redden.

De Israëlieten zijn door God aangenomen als Zijn zonen. Zij hebben gezien hoe groot en machtig Hij is. Zij weten welk verbond Hij met hen heeft gesloten. God heeft hun verteld hoe zij moeten leven en Hem kunnen dienen. Zij weten welke beloften Hij aan hun voorouders heeft gedaan.

En het grootste van al: Christus is, naar de mens gesproken, uit hen voortgekomen. Christus, Die boven alles staat. Alle lof en eer is daarom voor God, voor altijd! Amen.

Heeft God dan Zijn woord gebroken? Dat is uitgesloten! Maar niet alle Israëlieten zijn èchte Israëlieten.

Al stammen zij van Abraham af, daarom zijn zij nog niet allemaal ware kinderen van Abraham. Want God heeft gezegd dat Hij alleen Isaäk als Abrahams zoon beschouwde.

Dus zijn Abrahams natuurlijke kinderen niet vanzelf kinderen van God. Nee, dat zijn alleen zij die, net als Abraham, op de belofte van God vertrouwen.

God had Abraham namelijk beloofd: "Volgend jaar kom Ik terug en dan zal Sara een zoon krijgen." (a)

10 Ook Isaäks vrouw Rebekka kreeg een belofte van God.

11-13 Toen zij in verwachting was van een tweeling, zei God dat het eerste kind de dienaar van het tweede zou worden. Daarmee bedoelde Hij de twee volken, die uit deze jongens zouden voortkomen. Want ergens in de Boeken staat dat God gezegd heeft: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau niet." (b) Voor God stond dat al vast, hoewel zij nog niet eens geboren waren en geen goed of kwaad hadden gedaan. Daardoor was duidelijk dat God nooit iemand uitkiest op grond van diens daden, maar omdat Hij hem riep.

14 Is God dan onrechtvaardig? Geen sprake van!

15 Denk maar eens aan wat Hij tegen Mozes zei: "Ik ben vriendelijk voor wie Ik wil; en Ik ontferm Mij over wie Ik wil." (c)

16 Het hangt er dus niet van af of u graag wilt of erg uw best doet. Nee, het hangt af van God, Die het goede met ons voor heeft.

17 Zo zei Hij tegen Farao, de koning van Egypte: "Het is niet voor niets dat Ik u nog zo lang koning laat zijn. Ik gebruik u om te laten zien hoe groot mijn kracht is, want de hele wereld moet van Mij horen." (d)

18 Hieruit blijkt dat God doet wat Hij wil. Of Hij bewijst Zijn genade of Hij verhardt, zoals dat bij Farao het geval was.

19 Maar als het zo ligt, waarom neemt God het mij dan kwalijk dat ik niet doe wat Hij wil?

20 Hoe durft u zo tegen God te spreken? Het maaksel zegt toch ook niet tegen zijn maker: "Waarom hebt u mij zo gemaakt?"

21 Een pottenbakker mag met een stuk klei doen wat hij wil. Hij maakt er een mooie, dure vaas van of een gewone pot.

22 Wel, als God uiting wil geven aan Zijn toorn en als Hij wil laten zien hoe groot Zijn kracht is, wat dan nog? Heeft Hij niet lang genoeg geduld gehad met de mensen, die straf verdienden en rijp waren voor de ondergang?

23 Waar het Hem om gaat, is dat Zijn buitengewone grootheid gezien wordt door de mensen, met wie Hij het goed voor heeft. Hij heeft hen lang van te voren aangewezen en nu ook geroepen.

24 Die mensen zijn wij! Niet alleen Israëlieten, maar mensen uit alle volken.

25 In het boek van de profeet Hosea zegt God immers: "Het volk dat niet van Mij was, zal Ik mijn volk noemen. En de mensen die Ik niet liefhad, zal Ik liefhebben.

26 Op de plaats waar gezegd werd dat zij mijn volk niet waren, zullen zij zonen van de levende God worden genoemd." (e)

27 Maar over de Israëlieten riep de profeet Jesaja uit: "Al is hun aantal nu niet te tellen, er zal maar een klein groepje van overblijven.

28 Want de Here rekent grondig met het volk af. Hij maakt korte metten." (f)

29 Jesaja had al eerder gezegd: "Als God niet zo goed was geweest om enkele Israëlieten over te laten, zou het volk van Israël volledig uitgeroeid zijn, net als de inwoners van Sodom en Gomorra." (g)

30 Wat kunnen wij hieruit opmaken? Het volgende: De volken die niet hun best deden om door God aangenomen te worden, zijn toch aangenomen en wel omdat zij nu in Jezus Christus geloven.

31 Maar de Israëlieten deden daarvoor wél hun uiterste best. Zij hielden zich strikt aan de wet van God en probeerden zo door Hem aangenomen te worden.

32 Maar het is hun niet gelukt. Waarom niet? Omdat zij niet op Jezus Christus vertrouwden, maar dachten dat het helemaal van henzelf afhing, van hun eigen prestaties. Jezus Christus was voor hen het grote struikelblok.

33 God had hen daar al voor gewaarschuwd. "Pas op", zei Hij, "Ik leg temidden van de Israëlieten een struikelblok neer, een steen waaraan zij zich zullen stoten. Maar wie op Hem zijn vertrouwen vestigt, zal nooit teleurgesteld worden." (h)

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

  Back

1 of 1

You'll get this book and many others when you join Bible Gateway Plus. Learn more

Viewing of
Cross references
Footnotes