A A A A A
Bible Book List

Klaagliederen 3Het Boek (HTB)

Ik heb de ellende gezien, die het gevolg was van Gods toorn.

Hij heeft mij in de diepste duisternis gebracht en alle licht buitengesloten.

Hij heeft Zich tegen mij gekeerd. Dag en nacht rust Zijn hand zwaar op mij.

Hij heeft mij oud gemaakt en mijn botten gebroken.

Met angst en vertwijfeling heeft Hij mij omringd.

Hij begroef mij in duistere plaatsen, net als de allang gestorvenen.

Hij heeft mij ingesloten en ik kan niet ontsnappen; met zware ketens heeft Hij mij vastgebonden.

Ook al schreeuw en huil ik uit alle macht, Hij wil niet naar mijn gebeden luisteren!

Hij heeft mij ingesloten met rondom hoge en gladde muren (A) en mijn paden heeft Hij onbegaanbaar gemaakt.

10 Hij loert als een beer, als een leeuw, wachtend op een gelegenheid om aan te vallen.

11 Hij heeft mij in de val gelokt en met Zijn klauwen verscheurd. Bloedend en eenzaam liet Hij mij achter.

12 Hij heeft Zijn boog gespannen en mij als doel uitgekozen;

13 de pijlen die Hij afschoot, drongen diep in mijn hart.

14 Mijn eigen landgenoten lachen mij uit; de hele dag door zingen zij hun spotliedjes.

15 Hij heeft mij met bitterheid gevuld en een beker met de grootste ellende te drinken gegeven.

16 Hij liet mij steengruis eten en brak mijn tanden; in de as en het vuil rolde Hij mij.

17 Och HERE, alle vrede en voorspoed zijn lang geleden verdwenen, want U hebt ze weggenomen. Ik weet niet meer wat geluk is.

18 Er is geen hoop meer; mijn kracht is als sneeuw voor de zon verdwenen omdat de HERE mij heeft verlaten.

19 Vaak denk ik aan die bitterheid en het lijden, dat U mij hebt toebedeeld!

20 Ik zal deze vreselijke jaren nooit meer vergeten; mijn ziel zal altijd in de diepste droefheid blijven leven.

21 Toch is er nog een sprankje hoop en daaraan wil ik mij vastklampen.

22-23 Dank zij de goedheid van de HERE zijn wij niet omgekomen. Hij blijft voor ons zorgen en Zijn trouw is elke dag weer nieuw.

24 Mijn ziel beschouwt de HERE als mijn erfdeel; daarom verwacht ik alles van Hem.

25 De HERE is wonderbaarlijk goed voor hen die op Hem wachten, voor wie naar Hem zoeken.

26 Het is goed rustig te vertrouwen en te wachten op de hulp van de HERE.

27 Het is goed dat een jonge man discipline wordt bijgebracht.

28 Hij kan rustig in eenzaamheid zitten en zwijgen als God dat van hem vraagt.

29 Dan kan hij ook met zijn gezicht in het stof liggen, zodat er hoop voor hem blijft bestaan.

30 Laat hij zijn andere wang toekeren naar hen die hem slaan en hun vreselijke beledigingen slikken,

31 want de Here zal hem niet voor altijd verstoten.

32 Ook al geeft God hem verdriet, toch zal Hij hem ook met medelijden behandelen als teken van Zijn liefdevolle zorg.

33 Want Hij vindt het niet prettig mensen in het nauw te drijven en verdriet te bezorgen.

34 Als de vernederden worden vertrapt,

35 men het recht dat God de mens heeft gegeven, niet in acht neemt

36 en de rechtzaak van de mensen wordt verdraaid, zou de Here dat dan niet zien?

37 Als iemand ergens over spreekt en het gebeurt dan ook, heeft de Here dat dan niet bevolen?

38 Van de Allerhoogste komt immers zowel het kwade als het goede?

39 Waarom zouden wij dan (gewone mensen als wij zijn) mopperen en klagen als wij worden gestraft voor onze zonden?

40 Laten wij in plaats daarvan onszelf maar eens goed onderzoeken, onze schuld bekennen en terugkeren naar de HERE.

41 Laten we onze harten en handen opheffen naar God in de hemel.

42 En laten wij toegeven dat we hebben gezondigd. Wij zijn in opstand gekomen tegen de HERE en dat heeft Hij niet vergeten.

43 U bent vervuld van toorn, HERE, en U hebt ons meedogenloos geslagen.

44 U hebt Uzelf met een wolk afgesloten, zodat onze gebeden U niet kunnen bereiken.

45 U hebt ons gemaakt als paria's en uitschot onder de volken.

46 Onze vijanden hebben dreigende taal tegen ons gesproken.

47 Wij zijn bang, want wij zitten in de val; verlaten en vernietigd zijn wij.

48 Dag en nacht moet ik huilen, omdat de meisjes van mijn volk vernederd zijn.

49 Ik huil onophoudelijk;

50 wanneer zal de HERE vanuit de hemel weer naar ons omzien?

51 Mijn hart breekt als ik zie wat er met de jonge meisjes uit Jeruzalem gebeurt.

52 Mijn vijanden (die ik nooit kwaad heb gedaan) joegen achter mij aan alsof ik een vogel was.

53 Zij gooiden mij in een waterput en bekogelden mij daarna met stenen.

54 Het water reikte tot boven mijn hoofd en ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen.

55 Maar vanuit die diepe waterput riep ik Uw naam aan, HERE,

56 en U luisterde naar mij! U hoorde mijn smeekbeden en zag mijn tranen!

57 Ja, U kwam toen ik vertwijfeld schreeuwde en U zei mij dat ik niet bang hoefde te zijn.

58 Here, U bent mijn raadsman! Verdedig mijn zaak! Want U hebt mijn leven verlost.

59 U hebt gezien wat een onrecht zij mij aandeden; wees mijn rechter om mijn gelijk te bewijzen.

60 U hebt gezien welke valse plannen mijn vijanden tegen mij smeedden.

61 U hebt gehoord hoe zij mij beledigden, HERE,

62 hoe zij over mij roddelden en fluisterend hun plannen beraamden.

63 Kijk eens hoe zij lachen en zingen en mij in hun lied belachelijk maken.

64 Och HERE, vergeldt U al het kwaad dat zij mij hebben aangedaan.

65 Verhard hun harten en vervloek hen, HERE.

66 Zet een felle achtervolging op hen in en vaag hen weg onder de hemel van de HERE.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

  Back

1 of 1

You'll get this book and many others when you join Bible Gateway Plus. Learn more

Viewing of
Cross references
Footnotes