A A A A A
Bible Book List

2 Thessalonicenzen 1:3-12 BasisBijbel (BB)

Het geloof en de liefde van de gelovigen in Tessalonika

Wij danken God altijd voor jullie, broeders en zusters. We danken Hem omdat jullie geloof snel groeit en omdat jullie liefde voor elkaar steeds sterker wordt. Daarom zeggen we prijzende dingen over jullie tegen de andere gemeenten van God. Want jullie houden vast aan het geloof, ook al worden jullie heel erg vervolgd. Dat jullie worden vervolgd, bewijst dat God jullie heeft goedgekeurd om bij zijn Koninkrijk te horen. Want jullie lijden voor dat Koninkrijk. Maar God is rechtvaardig. Daarom zal Hij de mensen straffen door wie jullie nu vervolgd worden. Zij verdrukken jullie. Daarom zal Hij hen terugbetalen met verdrukking. + Maar aan jullie zal Hij rust geven, samen met ons. Dat zal gebeuren op het moment dat de Heer Jezus in een laaiend vuur terugkomt uit de hemel, met zijn machtige engelen. Dan zal Hij de mensen straffen die God niet kennen. Hij zal hen straffen omdat ze niet gehoorzaam wilden zijn aan het goede nieuws van onze Heer Jezus. Hun straf is, dat ze voor eeuwig ver van de Heer zullen zijn, ver van zijn heerlijke hemelse macht en majesteit. 10 Op de dag dat Hij komt, zullen alle mensen die bij Hem horen Hem prijzen. Iedereen zal vol verbazing Jezus' hemelse macht en majesteit zien in de mensen die in Hem geloven. Want jullie hebben geloofd wat we jullie over Hem hebben verteld.
11 Daarom bidden we ook aldoor voor jullie dat God jullie zal goedkeuren voor de taak die Hij je wil geven. We bidden ook dat Hij jullie zijn kracht zal geven voor alles wat Hij wil dat jullie voor Hem doen. En dat Hij in alles goed voor jullie zal zijn. 12 Dan zal onze Heer Jezus worden geprezen, omdat Hij zichtbaar is in jullie. En júllie zullen worden geprezen omdat jullie één zijn met Hem, door de liefdevolle goedheid van God en van de Heer Jezus Christus.

BasisBijbel (BB)

By Stichting BasisBijbel

2 Thessalonicenzen 1:3-12 Het Boek (HTB)

Broeders en zusters, wij moeten God altijd voor u danken, omdat daar alle reden toe is. Want uw geloof wordt steeds sterker en de liefde die u voor elkaar hebt, neemt dag aan dag toe. Wij vertellen de andere gemeenten van God vol trots hoe geweldig u volhoudt en hoe sterk uw geloof is, ondanks alle vervolgingen en moeilijkheden die u te verduren krijgt.

Daaruit blijkt dat God rechtvaardig in zijn oordeel is, want u die ter wille van Hem lijdt, zult zeker in zijn Koninkrijk komen. Hij zal de mensen straffen voor wat zij u aandoen. Dat is rechtvaardig. En het is ook rechtvaardig dat Hij u, die het nu moeilijk hebt, uit de nood zal helpen, net als ons. Dat zal gebeuren wanneer de Here Jezus met zijn sterke engelen uit de hemel komt en in een laaiend vuur laat zien wie Hij is. Dan zal Hij allen straffen die niets van God willen weten en hun oren dichthouden voor het goede nieuws van onze Here Jezus. Hun straf zal de eeuwige veroordeling zijn. Zij zullen voorgoed van de Here en zijn ontzagwekkende macht gescheiden worden. 10 Dat zal gebeuren op de grote dag, waarop Hij komt om geëerd te worden te midden van hen die Hem toebehoren en bewonderd te worden te midden van hen die op Hem vertrouwd hebben. En u zult daarbij zijn, omdat u hebt geloofd wat wij u over Hem hebben verteld.

11 Daarom blijven wij voor u bidden dat u het waard zult zijn dat God u geroepen heeft. Wij bidden dat Hij u zijn kracht schenkt zodat u al uw goede voornemens kunt uitvoeren en u alles wat u in geloof onderneemt tot een goed einde kunt brengen. 12 Daardoor zal in u onze Here Jezus geëerd en geprezen worden, en u zelf ook, omdat u één met Hem bent. Dit alles is mogelijk door de genade van God en van onze Here Jezus Christus.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

2 Thessalonians 1:3-12 American Standard Version (ASV)

We are bound to give thanks to God always for you, brethren, even as it is meet, for that your faith groweth exceedingly, and the love of each one of you all toward one another aboundeth; so that we ourselves glory in you in the churches of God for your [a]patience and faith in all your persecutions and in the afflictions which ye endure; which is a manifest token of the righteous judgment of God; to the end that ye may be counted worthy of the kingdom of God, for which ye also suffer: if so be that it is a righteous thing with God to recompense affliction to them that afflict you, and to you that are afflicted rest with us, at the revelation of the Lord Jesus from heaven with the angels of his power in flaming fire, rendering vengeance to them that know not God, and to them that obey not the [b]gospel of our Lord Jesus: who shall suffer punishment, even eternal destruction from the face of the Lord and from the glory of his might, 10 when he shall come to be glorified in his saints, and to be marvelled at in all them that believed (because our testimony unto you was believed) in that day. 11 To which end we also pray always for you, that our God may count you worthy of your calling, and fulfil every [c]desire of goodness and every work of faith, with power; 12 that the name of our Lord Jesus may be glorified in you, and ye in him, according to the grace of our God and the Lord Jesus Christ.

Footnotes:

  1. 2 Thessalonians 1:4 Or, stedfastness
  2. 2 Thessalonians 1:8 Greek good tidings: and so elsewhere. See marginal note on Mt. 4:23.
  3. 2 Thessalonians 1:11 Greek good pleasure of goodness. Compare Rom. 10:1.

2 Thessalonians 1:3-12 New International Version (NIV)

Thanksgiving and Prayer

We ought always to thank God for you, brothers and sisters,[a] and rightly so, because your faith is growing more and more, and the love all of you have for one another is increasing. Therefore, among God’s churches we boast about your perseverance and faith in all the persecutions and trials you are enduring.

All this is evidence that God’s judgment is right, and as a result you will be counted worthy of the kingdom of God, for which you are suffering. God is just: He will pay back trouble to those who trouble you and give relief to you who are troubled, and to us as well. This will happen when the Lord Jesus is revealed from heaven in blazing fire with his powerful angels. He will punish those who do not know God and do not obey the gospel of our Lord Jesus. They will be punished with everlasting destruction and shut out from the presence of the Lord and from the glory of his might 10 on the day he comes to be glorified in his holy people and to be marveled at among all those who have believed. This includes you, because you believed our testimony to you.

11 With this in mind, we constantly pray for you, that our God may make you worthy of his calling, and that by his power he may bring to fruition your every desire for goodness and your every deed prompted by faith. 12 We pray this so that the name of our Lord Jesus may be glorified in you, and you in him, according to the grace of our God and the Lord Jesus Christ.[b]

Footnotes:

  1. 2 Thessalonians 1:3 The Greek word for brothers and sisters (adelphoi) refers here to believers, both men and women, as part of God’s family; also in 2:1, 13, 15; 3:1, 6, 13.
  2. 2 Thessalonians 1:12 Or God and Lord, Jesus Christ
New International Version (NIV)

Holy Bible, New International Version®, NIV® Copyright ©1973, 1978, 1984, 2011 by Biblica, Inc.® Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romeinen 3:4-6 BasisBijbel (BB)

Natuurlijk niet! God blijft altijd trouw aan zijn woord, ook al is van de mensen niemand trouw. Dat staat ook in de Boeken: "Als God rechtspreekt, doet Hij dat rechtvaardig. Zo is Hij nergens van te beschuldigen."

God veroordeelt onze slechtheid. Daaraan kunnen we zien dat God rechtvaardig is. Maar is het dan niet onrechtvaardig van God als Hij ons voor onze slechtheid straft? Zonder onze slechtheid is immers niet te zien dat God rechtvaardig is! Nee, helemaal niet! Dat is natuurlijk een menselijke manier van denken. Want als God onrechtvaardig was, zou Hij geen Rechter over de wereld kunnen zijn.

BasisBijbel (BB)

By Stichting BasisBijbel

Romeinen 3:4-6 Het Boek (HTB)

Nee! Ieder mens mag dan een leugenaar zijn, God is het niet, Hij spreekt altijd de waarheid. Er staat immers in de Psalmen: ‘Here, uw uitspraken zijn altijd rechtvaardig. U wint al uw rechtszaken.’ Maar als onze onrechtvaardigheid de rechtvaardigheid van God bevestigt, hebben wij dán recht van spreken? Is God dus onrechtvaardig als Hij ons oordeelt? Dat is natuurlijk een menselijke gedachte! Nee, God is niet onrechtvaardig! Anders zou Hij toch geen rechter van de wereld kunnen zijn.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romans 3:4-6 American Standard Version (ASV)

[a]God forbid: yea, let God be found true, but every man a liar; as it is written,

[b]That thou mightest be justified in thy words,
And mightest prevail when thou comest into judgment.

But if our unrighteousness commendeth the righteousness of God, what shall we say? Is God unrighteous who visiteth with wrath? (I speak after the manner of men.) [c]God forbid: for then how shall God judge the world?

Footnotes:

  1. Romans 3:4 Greek Be it not so: and so elsewhere.
  2. Romans 3:4 Ps. 51:4.
  3. Romans 3:6 Greek Be it not so: and so elsewhere.

Romans 3:4-6 New International Version (NIV)

Not at all! Let God be true, and every human being a liar. As it is written:

“So that you may be proved right when you speak
    and prevail when you judge.”[a]

But if our unrighteousness brings out God’s righteousness more clearly, what shall we say? That God is unjust in bringing his wrath on us? (I am using a human argument.) Certainly not! If that were so, how could God judge the world?

Footnotes:

  1. Romans 3:4 Psalm 51:4
New International Version (NIV)

Holy Bible, New International Version®, NIV® Copyright ©1973, 1978, 1984, 2011 by Biblica, Inc.® Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romeinen 2:1-11 BasisBijbel (BB)

God zal over alle mensen rechtspreken

Maar als jullie een ánder veroordelen, kunnen jullie je eígen slechte gedrag niet goedpraten. Dat geldt voor iedereen, wie je ook bent. Want als jullie vinden dat een ander voor iets streng gestraft moet worden, veroordelen jullie daarmee ook jezelf. Want jullie doen dezelfde dingen als zij!

Maar wij weten dat God eerlijk zal rechtspreken over álle mensen die zulke dingen doen. Denken jullie soms dat júllie daaraan zullen kunnen ontsnappen? Jullie veroordelen wat andere mensen doen. Maar intussen doen jullie dezelfde dingen als zij! Denken jullie soms dat Gods liefde, vriendelijkheid en geduld zó groot zijn, dat Hij júllie slechtheid wel door de vingers zal zien? Jullie begrijpen niet dat juist Gods liefde jullie leven wil veranderen. Dat jullie juist dankzij Hem willen gaan leven zoals Hij het wil. Dus dan ga je niet door met slechte dingen doen.

Maar als jullie koppig en ongehoorzaam blijven, en niet van plan zijn om je leven te veranderen, zal jullie schuld steeds groter worden. Op een dag zal God over alle mensen rechtvaardig rechtspreken. Dan zal Hij ook over júllie rechtspreken. Op die dag zal God ieder mens geven wat hij heeft verdiend. Een deel van de mensen zal het eeuwige leven krijgen. Dat zijn de mensen die geduldig het goede hebben gedaan. Zij hebben aldoor hun best gedaan om te leven zoals God het wil. Ze verlangden naar het eeuwige leven. Maar de andere mensen zullen zwaar gestraft worden. Zij hebben alleen maar aan zichzelf gedacht. Ze hebben niet naar de waarheid willen luisteren en hebben kwaad gedaan. Met alle mensen die slechte dingen doen, zal het slecht aflopen. Dat geldt niet alleen voor de Joden, maar ook voor de andere volken. 10 Maar alle mensen die het goede doen, zullen hemelse macht en majesteit, eer en vrede krijgen. Dat geldt niet alleen voor de Joden, maar ook voor de andere volken. 11 Want het maakt voor God niet uit wie of wat je bent. Hij zal over alle mensen op dezelfde manier rechtspreken.

BasisBijbel (BB)

By Stichting BasisBijbel

Romeinen 2:1-11 Het Boek (HTB)

De straf voor de zonde

Maar ook alle andere mensen treft dit oordeel. Want wie een ander veroordeelt, veroordeelt daarmee zichzelf. U doet immers dezelfde dingen? Wij weten dat God rechtvaardig oordeelt. Hij geeft ieder die zulke slechte dingen doet een rechtvaardige straf. Of denkt u misschien dat u, die anderen veroordeelt voor dingen die u zelf ook doet, Gods straf zult ontlopen? Bent u dan niet blij dat God zoveel liefde toont en trouw en geduldig is? Begrijpt u niet dat Hij zo lang met zijn straf wacht om u de kans te geven met de zonde te breken? Maar nee, u blijft hardnekkig weigeren uw leven te veranderen. Het is uw eigen schuld als de toorn van God u treft op de dag van het rechtvaardige oordeel. Wanneer Hij de wereld oordeelt, zal Hij ieder geven wat hij verdient. Hij geeft eeuwig leven aan hen die geduldig de wil van God doen, op zoek naar de glorie en eer en het leven dat nooit eindigt.

Anderzijds zal Hij zijn strenge straf laten neerkomen op hen die alleen maar aan zichzelf denken en die, in plaats van zich aan de waarheid te houden, onrecht doen. Wie liever kwaad doet, zal leed en ellende te verduren krijgen. Dat geldt voor iedereen: niet alleen voor de Joden, maar ook voor alle andere mensen. 10 Maar ieder die het goede doet, zal door God worden verhoogd en vrede ervaren. Ook dat geldt niet alleen voor de Joden, maar eveneens voor alle andere mensen. 11 Want God maakt geen onderscheid.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romans 2:1-11 American Standard Version (ASV)

Wherefore thou art without excuse, O man, whosoever thou art that judgest: for wherein thou judgest [a]another, thou condemnest thyself; for thou that judgest dost practise the same things. [b]And we know that the judgment of God is according to truth against them that practise such things. And reckonest thou this, O man, who judgest them that practise such things, and doest the same, that thou shalt escape the judgment of God? Or despisest thou the riches of his goodness and forbearance and longsuffering, not knowing that the goodness of God leadeth thee to repentance? but after thy hardness and impenitent heart treasurest up for thyself wrath in the day of wrath and revelation of the righteous judgment of God; who will render to every man according to his works: to them that by [c]patience in well-doing seek for glory and honor and incorruption, eternal life: but unto them that are factious, and obey not the truth, but obey unrighteousness, shall be wrath and indignation, tribulation and anguish, upon every soul of man that worketh evil, of the Jew first, and also of the Greek; 10 but glory and honor and peace to every man that worketh good, to the Jew first, and also to the Greek: 11 for there is no respect of persons with God.

Footnotes:

  1. Romans 2:1 Greek the other.
  2. Romans 2:2 Many ancient authorities read For.
  3. Romans 2:7 Or, stedfastness

Romans 2:1-11 New International Version (NIV)

God’s Righteous Judgment

You, therefore, have no excuse, you who pass judgment on someone else, for at whatever point you judge another, you are condemning yourself, because you who pass judgment do the same things. Now we know that God’s judgment against those who do such things is based on truth. So when you, a mere human being, pass judgment on them and yet do the same things, do you think you will escape God’s judgment? Or do you show contempt for the riches of his kindness, forbearance and patience, not realizing that God’s kindness is intended to lead you to repentance?

But because of your stubbornness and your unrepentant heart, you are storing up wrath against yourself for the day of God’s wrath, when his righteous judgment will be revealed. God “will repay each person according to what they have done.”[a] To those who by persistence in doing good seek glory, honor and immortality, he will give eternal life. But for those who are self-seeking and who reject the truth and follow evil, there will be wrath and anger. There will be trouble and distress for every human being who does evil: first for the Jew, then for the Gentile; 10 but glory, honor and peace for everyone who does good: first for the Jew, then for the Gentile. 11 For God does not show favoritism.

Footnotes:

  1. Romans 2:6 Psalm 62:12; Prov. 24:12
New International Version (NIV)

Holy Bible, New International Version®, NIV® Copyright ©1973, 1978, 1984, 2011 by Biblica, Inc.® Used by permission. All rights reserved worldwide.

Efeziërs 1:3-14 BasisBijbel (BB)

Gods geweldige plan voor zijn kinderen

Ik ben de God en Vader van onze Heer Jezus Christus heel dankbaar. Want Hij heeft ons in Christus alle geweldige geestelijke dingen gegeven die er in de hemelse plaatsen zijn. Want al voordat Hij de wereld maakte, heeft Hij ons uitgekozen. Hij wilde dat we bij Hem zouden horen en dat we in Hem volmaakt zouden zijn. Hij houdt heel erg veel van ons. Daarom wilde Hij dat we door Jezus Christus zijn kinderen zouden worden. Hij had dat van tevoren al besloten. Want dat is wat Hij graag wil. Want als we zijn kinderen zijn, zullen we God ervoor prijzen dat Hij zo geweldig goed voor ons is. Hij gaf ons zijn Zoon, van wie Hij heel veel houdt. Daarmee heeft God laten zien hoe goed Hij voor ons is. Want door het bloed van zijn Zoon heeft Hij ons gered. Door zijn bloed kon Hij ons vergeven dat we Hem ongehoorzaam waren. Hij deed dat niet omdat we dat verdiend hadden, maar omdat Hij zoveel van ons houdt. Bovendien was Hij zo goed ons zijn wijsheid te geven. Want Hij heeft ons laten weten wat zijn goddelijke plan met Christus was. 10 Dat plan was om, vóór het eind van de tijd gekomen is, Jezus tot het Hoofd te maken van alles wat in de hemel en op de aarde is. 11 En God doet altijd wat Hij van plan is. En samen met Jezus Christus hebben wij ook de erfenis gekregen die God ons altijd al heeft willen geven. 12 Wij Joden hebben heel lang gewacht op de komst van Christus. En nu Christus is gekomen, prijzen we God dat Hij zo geweldig goed is.
13 Jullie hebben het woord van de waarheid, het goede nieuws, óók geloofd. Daardoor horen jullie nu óók bij Hem. Omdat jullie in Hem geloven, heeft Christus als het ware ook op jullie zijn 'eigendomsstempel' gezet. Dat 'stempel' is de Heilige Geest die God aan jullie heeft gegeven. God had beloofd dat Hij zijn Geest aan ons zou geven, en dat heeft Hij ook gedaan. 14 De Heilige Geest is het bewijs en de voorproef van het deel van onze erfenis dat God ons nog gaat geven. Die erfenis is: onze volledige bevrijding, waardoor we God zullen prijzen dat Hij zo geweldig goed is.

BasisBijbel (BB)

By Stichting BasisBijbel

Efeziërs 1:3-14 Het Boek (HTB)

Aan God, de Vader van onze Here Jezus Christus, komt alle dank en eer toe. Hij heeft ons, nu wij één zijn met Jezus Christus, alle geestelijke zegen gegeven die er in de hemel is. Al voordat Hij de wereld maakte, heeft God ons uitgekozen, wij die één met Christus zijn. Wij zouden alleen van Hém zijn en volmaakt voor Hem staan. Het is altijd zijn bedoeling geweest ons als zijn kinderen aan te nemen door Jezus Christus, opdat wij Hem zouden prijzen voor zijn onovertroffen genade. En Hij heeft ons door zijn geliefde Zoon laten ervaren hoe buitengewoon goed Hij is. Gods Zoon heeft zijn leven en zijn bloed gegeven om ons van de zonde te verlossen. Alles wat wij hebben misdaan, is ons daardoor vergeven. Wat een rijke genade! En dat niet alleen! God heeft ons alle wijsheid en inzicht gegeven. Hij verlangde ernaar ons het geheim bekend te maken waarom Hij Christus heeft gestuurd. 10 Hij heeft besloten alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen onder het absolute gezag van Christus, als de tijd rijp is. 11 Door onze eenheid met Christus zijn wij het eigendom van God geworden. Dat is altijd de bedoeling geweest van Hem die alles doet zoals Hij Zelf wil en goed vindt. 12 Hij wilde dat wij, Joden, die al zo lang gewacht en gehoopt hebben dat de Christus zou komen, Hem zouden prijzen en eren. 13 En niet alleen wij, maar ook u, die de waarheid hebt gehoord, het goede nieuws dat uw redding is. Toen u in Christus ging geloven, gaf God u de Heilige Geest, die Hij had beloofd als een bewijs dat u van Christus bent. 14 Deze Geest in ons is een borg voor wat God ons allemaal zal geven als Hij ons, zijn eigen volk, zal verlossen. Een reden temeer om Hem te eren voor zijn grootheid.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

Ephesians 1:3-14 American Standard Version (ASV)

Blessed be [a]the God and Father of our Lord Jesus Christ, who hath blessed us with every spiritual blessing in the heavenly places in Christ: even as he chose us in him before the foundation of the world, that we should be holy and without blemish before [b]him in love: having foreordained us unto adoption as sons through Jesus Christ unto himself, according to the good pleasure of his will, to the praise of the glory of his grace, [c]which he freely bestowed on us in the Beloved: in whom we have our redemption through his blood, the forgiveness of our trespasses, according to the riches of his grace, [d]which he made to abound toward us in all wisdom and prudence, making known unto us the mystery of his will, according to his good pleasure which he purposed in him 10 unto a dispensation of the fulness of the [e]times, to sum up all things in Christ, the things [f]in the heavens, and the things upon the earth; in him, I say, 11 in whom also we were made a heritage, having been foreordained according to the purpose of him who worketh all things after the counsel of his will; 12 to the end that we should be unto the praise of his glory, we who [g]had before hoped in Christ: 13 in whom ye also, having heard the word of the truth, the [h]gospel of your salvation,—in whom, having also believed, ye were sealed with the Holy Spirit of promise, 14 which is an earnest of our inheritance, unto the redemption of God’s own possession, unto the praise of his glory.

Footnotes:

  1. Ephesians 1:3 Or, God and the Father. See Rom. 15:6 margin.
  2. Ephesians 1:4 Or, him: having in love foreordained us
  3. Ephesians 1:6 Or, wherewith he endued us
  4. Ephesians 1:8 Or, wherewith he abounded
  5. Ephesians 1:10 Greek seasons.
  6. Ephesians 1:10 Greek upon.
  7. Ephesians 1:12 Or, have
  8. Ephesians 1:13 Greek good tidings. See marginal note on Mt. 4:23.

Ephesians 1:3-14 New International Version (NIV)

Praise for Spiritual Blessings in Christ

Praise be to the God and Father of our Lord Jesus Christ, who has blessed us in the heavenly realms with every spiritual blessing in Christ. For he chose us in him before the creation of the world to be holy and blameless in his sight. In love he[a] predestined us for adoption to sonship[b] through Jesus Christ, in accordance with his pleasure and will— to the praise of his glorious grace, which he has freely given us in the One he loves. In him we have redemption through his blood, the forgiveness of sins, in accordance with the riches of God’s grace that he lavished on us. With all wisdom and understanding, he[c] made known to us the mystery of his will according to his good pleasure, which he purposed in Christ, 10 to be put into effect when the times reach their fulfillment—to bring unity to all things in heaven and on earth under Christ.

11 In him we were also chosen,[d] having been predestined according to the plan of him who works out everything in conformity with the purpose of his will, 12 in order that we, who were the first to put our hope in Christ, might be for the praise of his glory. 13 And you also were included in Christ when you heard the message of truth, the gospel of your salvation. When you believed, you were marked in him with a seal, the promised Holy Spirit, 14 who is a deposit guaranteeing our inheritance until the redemption of those who are God’s possession—to the praise of his glory.

Footnotes:

  1. Ephesians 1:5 Or sight in love. He
  2. Ephesians 1:5 The Greek word for adoption to sonship is a legal term referring to the full legal standing of an adopted male heir in Roman culture.
  3. Ephesians 1:9 Or us with all wisdom and understanding. And he
  4. Ephesians 1:11 Or were made heirs
New International Version (NIV)

Holy Bible, New International Version®, NIV® Copyright ©1973, 1978, 1984, 2011 by Biblica, Inc.® Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romeinen 9:14-24 BasisBijbel (BB)

14 Wat moeten we hier dan van denken? Dat God oneerlijk is? Helemaal niet! 15 Want Hij zei tegen Mozes: [a] "Ik ben goed voor wie Ik wil, en Ik ben vriendelijk voor wie Ik wil." 16 Of God iemand ergens voor uitkiest, heeft dus niet te maken met of die persoon dat wil, of met hoe die persoon leeft. Maar het is gewoon Gods keus dat Hij goed voor hem wil zijn. 17 De Boeken zeggen bijvoorbeeld over de farao: "Ik heb u koning gemaakt, om door u aan de hele wereld te laten zien hoe machtig Ik ben." 18 God is dus goed voor wie Hij wil en Hij maakt koppig wie Hij wil.

19 Nu zullen jullie zeker tegen mij zeggen: "Hoe kan God het mij dan kwalijk nemen als ik Hem niet gehoorzaam? Een mens kan toch niet tegen Gods wil ingaan?" 20 Maar dan zeg ik: wie denk jij dat je bent, dat je God ongehoorzaam dúrft te zijn zoals de farao? Zal het voorwerp dat door de pottenbakker van de klei is gemaakt soms tegen de pottenbakker zeggen: "Waarom heb je me zó gemaakt?" 21 De pottenbakker mag toch zelf beslissen wat hij van de klei maakt? Hij mag toch uit één klomp klei iets heel bijzonders én iets heel gewoons maken? 22 Zo is het ook met God. Hij wil laten zien hoe machtig Hij is en dat Hij straft. Daarom zal Hij de mensen die Hij dáárvoor heeft gemaakt, eerst met veel geduld verdragen. 23 En Hij laat zien hoe geweldig goed Hij is aan de mensen die Hij dáárvoor heeft gemaakt en voor wie Hij goed wil zijn. 24 En dat zijn wij.

Hij heeft die mensen niet alleen geroepen uit de Joden, maar ook uit de andere volken.

Footnotes:

  1. Romeinen 9:15 Het gaat hier over de tijd dat Mozes naar de farao van Egypte moest gaan om hem te zeggen dat hij het volk Israël uit zijn land moest laten vertrekken. Lees hierover in Exodus vanaf hoofdstuk 3.
BasisBijbel (BB)

By Stichting BasisBijbel

Romeinen 9:14-24 Het Boek (HTB)

14 Is God dan onrechtvaardig? Geen sprake van! 15 Denk maar eens aan wat Hij tegen Mozes zei: ‘Ik ben genadig voor wie Ik genadig wil zijn en Ik ontferm Mij over wie Ik Mij wil ontfermen.’ 16 Het hangt er dus niet van af of u graag wilt of erg uw best doet. Nee, het hangt af van God, die het goede met ons voor heeft. 17 Zo zei Hij tegen de farao, de koning van Egypte: ‘Ik laat u alleen maar in leven om daarmee mijn macht te laten zien en iedereen op de hele wereld mijn naam te leren kennen.’ 18 Hieruit blijkt dat God doet wat Hij wil. Of Hij bewijst zijn genade of Hij verhardt, zoals dat bij de farao het geval was. 19 Nu zou iemand kunnen vragen: waarom neemt God het mij dan kwalijk als ik niet doe wat Hij wil? 20 Maar hoe zou een mens zo tegen God durven te spreken? Het maaksel zegt toch ook niet tegen zijn maker: ‘Waarom hebt u mij zo gemaakt?’ 21 Een pottenbakker mag met een stuk klei doen wat hij wil. Hij maakt er een mooie, kostbare vaas van of een gewone pot. 22 Welnu, God wil uiting geven aan zijn toorn en Hij wil laten zien hoe groot zijn kracht is. Daarom heeft Hij lang geduld gehad met de mensen die straf verdienden en de ondergang tegemoet gingen. 23 Waar het Hem om gaat, is dat zijn buitengewone grootheid gezien wordt door de mensen, met wie Hij het goed voor heeft. Hij heeft hen lang van te voren aangewezen en nu ook geroepen. 24 Die mensen zijn wij! Niet alleen Israëlieten, maar mensen uit alle volken.

Het Boek (HTB)

Het Boek Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®
Used by permission. All rights reserved worldwide.

Romans 9:14-24 American Standard Version (ASV)

14 What shall we say then? Is there unrighteousness with God? God forbid. 15 For he saith to Moses, [a]I will have mercy on whom I have mercy, and I will have compassion on whom I have compassion. 16 So then it is not of him that willeth, nor of him that runneth, but of God that hath mercy. 17 For the scripture saith unto Pharaoh, [b]For this very purpose did I raise thee up, that I might show in thee my power, and that my name might be published abroad in all the earth. 18 So then he hath mercy on whom he will, and whom he will he hardeneth.

19 Thou wilt say then unto me, Why doth he still find fault? For who withstandeth his will? 20 Nay but, O man, who art thou that repliest against God? Shall the thing formed say to him that formed it, Why didst thou make me thus? 21 Or hath not the potter a right over the clay, from the same lump to make one part a vessel unto honor, and another unto dishonor? 22 What if God, [c]willing to show his wrath, and to make his power known, endured with much longsuffering vessels of wrath fitted unto destruction: 23 [d]and that he might make known the riches of his glory upon vessels of mercy, which he afore prepared unto glory, 24 even us, whom he also called, not from the Jews only, but also from the Gentiles?

Footnotes:

  1. Romans 9:15 Ex. 33:19.
  2. Romans 9:17 Ex. 9:16.
  3. Romans 9:22 Or, although willing
  4. Romans 9:23 Some ancient authorities omit and.

Romans 9:14-24 New International Version (NIV)

14 What then shall we say? Is God unjust? Not at all! 15 For he says to Moses,

“I will have mercy on whom I have mercy,
    and I will have compassion on whom I have compassion.”[a]

16 It does not, therefore, depend on human desire or effort, but on God’s mercy. 17 For Scripture says to Pharaoh: “I raised you up for this very purpose, that I might display my power in you and that my name might be proclaimed in all the earth.”[b] 18 Therefore God has mercy on whom he wants to have mercy, and he hardens whom he wants to harden.

19 One of you will say to me: “Then why does God still blame us? For who is able to resist his will?” 20 But who are you, a human being, to talk back to God? “Shall what is formed say to the one who formed it, ‘Why did you make me like this?’”[c] 21 Does not the potter have the right to make out of the same lump of clay some pottery for special purposes and some for common use?

22 What if God, although choosing to show his wrath and make his power known, bore with great patience the objects of his wrath—prepared for destruction? 23 What if he did this to make the riches of his glory known to the objects of his mercy, whom he prepared in advance for glory 24 even us, whom he also called, not only from the Jews but also from the Gentiles?

Footnotes:

  1. Romans 9:15 Exodus 33:19
  2. Romans 9:17 Exodus 9:16
  3. Romans 9:20 Isaiah 29:16; 45:9
New International Version (NIV)

Holy Bible, New International Version®, NIV® Copyright ©1973, 1978, 1984, 2011 by Biblica, Inc.® Used by permission. All rights reserved worldwide.

Viewing of
Cross references
Footnotes